Geschiedenis
Vroeger hadden ze ook al couveuses, natuurlijk niet zo mooi en technisch minder goed ontwikkeld als ze nu zijn. Vroeger was een couveuse namelijk gewoon een kastje met een lampje er onder.
De eerste echte couveuse was uitgevonden door een handwerker uit Sint-Petersburg in 1835. Deze couveuse noemden ze een Ruehl'se wieg, genoemd naar de lijfarts van de tsarin Feodorowna. Het bedje lag in een bak met 10-12 liter warm water die iedere 2 uur werd vernieuwd. De 'couveuse' was van boven afgesloten met een doek. De temperatuur van het wiegje en van het water konden gemeten worden. De baby's lagen er aangekleed in.
Veel mensen vonden het een mooie en goede uitvinding van de handwerker uit Sint-Petersburg. En velen begonnen het nieuwe apparaat na te bouwen. Zo ook Denuuce en Gendron uit Frankrijk rond 1857. Zij gebruikten als eersten het woord incubator.
In 1881 werd er wéér een nieuwe couveuse uitgevonden, ook in Frankrijk. Dit model couveuse was afgekeken van een broedmachine uit een dierentuin in Parijs. Het was een houten kastje van 95x70x85 cm groot. De couveuse had een dubbele wand en was horizontaal in tweeën gedeeld. In het onderste deel zat ongeveer 70 liter warm water. Tussen de waterbak, het bedje voor de baby en de dubbele buitenwand bevond zich een vrije ruimte waarlangs opgewarmde lucht naar boven steeg. Bovenin zaten luchtgaten waar de hete lucht door heen kon. De deksel was van glas zodat je de baby altijd kon zien liggen. Aan de zijkant zat een deurtje waar je de baby er in kon leggen of eruit kon halen.
In 1883 was de couveuse een houten kistje, die net als zijn voorganger, horizontaal in tweeën was gedeeld. In het onderste deel zaten dit keer hete kruiken. Maar ook kon hier vochtige lucht binnenkomen. In het bovenste deel lag de baby die verwarmd werd door de hete kruiken. Ook dit keer werd de couveuse afgesloten met een glazen deksel. Er zat nu een pijpje aan de bovenkant van de couveuse vast voor de luchtafvoer.
De couveuse van Lion in 1898 had gasverwarming. Het nadeel hiervan was dat het gas niet goed op tempratuur kon blijven, omdat de druk in die tijd wisselend was.
In 1901 exposeerde Martin Couney met prematuren, zijn tentoonstellingen trokken enorm veel bezoekers. Andere mensen zagen daar geld in en begonnen ook tentoonstellingen met levende baby's te houden. Slechte mensen deden dat ook, maar de baby's die zij gebruikten belandden tussen de luipaarden en Tiroolse Jodelaars. Couney hield totaal geen rekening met de moeders van de baby's, maar een deel van de kennis van de couveuse is toch aan hem te danken.
Het grondmodel van de tegenwoordige couveuse stamt uit 1931. Deze couveuse is ontworpen door kinderarts dr. Chapple uit Pennsylvania. Hierbij werden allemaal eisen aan de couveuse gesteld. Bijvoorbeeld: de temperatuurregeling, de verhoogde luchtvochtigheid, de bescherming tegen infecties, het goed bestand moeten zijn tegen schoonmaakmiddelen met alcohol er in.
De eerste 'toekomstcouveuse' werd in 1937 van glas en hout gemaakt. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de couveuse van Chapple tot ontwikkeling. Bij die couveuse werd gebruik gemaakt van zwaar plastic dat de oorlogsindustrie had opgeleverd.
In 1947, op een congres in Amsterdam, werd voor het eerst een Isolette getoond. Heel bijzonder aan de Isolette was dat de baby goed geobserveerd kon worden, omdat het onder een koepel van plexiglas lag. Deze koepel toonde een geïsoleerd klimaat- kamertje waartoe men door twee in beide zijden geplaatste ronde openingen, met hun handen bij de baby konden.
In de loop der jaren is de Isolette heel erg veranderd en dat zou hij ook nog wel even blijven doen.